p
i e t   v a n   d i e p e n      
     
   

het huwelijk

Willem Elsschots bekende gedicht 'Het huwelijk' heb ik in oktober 1988, toen een collega van me ging trouwen, verbouwd tot ollekebolleke en tot limerick.

   
  Het huwelijk (1)

Willem Elsschot

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

   
Het huwelijk (2)

PvD (ollekebolleke, naar Elsschot)

Ogen gedoofd en het
voorhoofd doorkloofd. Ocharm,
denk je eens in welk een
aanblik dat bood!

Maar hij leed ’s avonds aan
ach-en-weemoedigheid;
sloeg haar uiteindelijk
toch maar niet dood.

 
Het huwelijk (3)

PvD (limerick, naar Elsschot)

Hij was haar zo zat met de jaren
en wou zich ellende besparen:
“ Ik maak haar van kant!”,
maar hij deed het niet, want
de wet maakt daartegen bezwaren.